1.
Carine, vierenveertig
Gordijnen
‘Mijn humeur was onverwoestbaar, deze ochtend’
Donderdagochtend – ‘Hij had zijn ochtendjas nog aan, lag op de lakens en rookte. Ik houd van hem als hij rookt, die geur heeft iets huiselijks. Geur is belangrijk. De geur van rook, van zijn lijf. Warm. Kan een geur warm zijn? Hij knorde verstoord toen ik naast hem ging liggen, net als hij op de lakens, niet eronder. Hij keek koeltjes, want hij volgde een herhaling van Zembla op televisie. Zijn verstrooidheid moedigde me aan. Ik snoof aan zijn oksel, aan zijn borst, een schone doorleefde geur. Nooit zweet, nooit parfum. Zijn moeder was een parfumfreak. Hij haat alles wat nep is, wast zich met neutrale zeep, ruikt dus altijd naar, ja, zichzelf. Ik ook, ik ruik ook naar mezelf. Iemands vóór- en afkeuren op het gebied van geur moet je respecteren, omdat geur zonder tussenkomst van gedachten, doordringt tot de hersenen. Ik ruik hem en verzoen me met de wereld en word rustig. Net als hij was ik gekleed in een ochtendjas, ik rook zijn hals, achter zijn oren, in zijn oksel.
Hij bleef televisie kijken, bromde, weerde me af. De gordijnen van de overbuurvrouw waren nog dicht, zag ik met een snelle blik toen ik me verder naar hem toeboog, er was geen inkijk. Vreemd zoals dat bijna automatisch gaat, het checken van de gordijnen, het ruiken, het kussen. Alles is al zovaak gedaan, meestal in precies dezelfde volgorde. En toch is na vijf jaar alles nog steeds anders. Niet nieuw, nee. Bij nieuw hoort onzekerheid. Ik ben bij deze man nooit nieuw geweest. In de periode dat ik alleen was, heb ik me voorgenomen nooit meer te twijfelen over mijn lichaam. Ik heb een man gehad bij wie ik in bed altijd mijn hemdje aanhield. Ik schaamde me voor mijn borsten. Peren waren het, waar ik zo hartstochtelijk graag appels had willen hebben. Later zag ik op de foto’s uit die tijd, dat het allemaal wel meeviel. Het waren peren, ja, maar helemaal geen lelijke peren. Vergeleken met nu zagen ze er eigenlijk heel goed uit. Dus, waar ging het over? Als ik zo doorging, zou ik mijn leven lang achter de feiten blijven aanlopen, ik nam me voor nooit meer te damestutten over mijn uiterlijk.
Ik vind sex veel leuker nu ik ouder ben en minder moeilijk doe. Nu ik mezelf verdraag, kan ik mezelf vergeten. Ik denk niet meer aan onvolkomenheden, en precies dat vergeten, het tijdloze verdwijnen is de voorwaarde voor de ware zinnelijkheid.
Niet dat ik meer sex heb dan vroeger. Eerlijk gezegd valt er bij ons geen peil op te trekken. De ene week gebeurt het iedere dag, de week erop kan ineens sexloos passeren. Dan is er teveel werk, en teveel stress. Geen punt. Langer dan een week zonder, wordt wel een probleem. Hij wordt chagrijnig. Ik niet. Ik mis het wel, maar bij mij is het missen minder fysiek. Tja, dat klinkt simpel maar zo is het wel. Als er langer dan een week niets is gebeurd, is het huis stil als ik thuiskom, en zit hij nog steeds achter zijn computer, staat er geen wijntje voor me klaar en zijn de kaarsen niet aan. Dat gebeurt allemaal niet bewust, en het is niet bedoeld om mij te straffen, het is alleen: zijn lust tot gezelligheid neemt af als de lust tot sex niet van tijd tot tijd bevredigd wordt.
Voordat ik die ochtend definitief toesloeg, hem aanrandde bijna, sloot ik eerst de gordijnen. Wanneer de buurvrouw zou ontwaken, zou ze zo de slaapkamer inkijken. Eerst plaagde ik hem met het stoffige Zembla. Toen kwam het ruiken. Daarna al die andere gebaren, die altijd een herhaling zijn van eerdere strelingen en aanrakingen, een week ervoor uitgevoerd, een maand, een jaar. Alles is al eens geroken, gedaan, gevoezeld. En toch heb je de ene keer vijfminutensex en de volgende keer sex met een gouden randje. Dit wat we nu hadden was zondagochtendsex bedreven op een donderdag. Dat wist ik al toen ik mijn neus in zijn oksel drukte.






